2026 – herinnering aan 1996 Noordpolderzijl – Het wintert, kou snijdt door mijn lichaam, scheurt de huid van mijn wangen, de sjaal ademt ijskristallen, vingertoppen gevangen door de vrieskou.




HET SLUISWACHTERSHUIS – ZIELHOES
Daar op bijna de Noordelijkste punt van de Waddenzee ligt Noordpolderzijl, een dierbare onbekende plek om het getijdengebied in te stappen. De Waddenzee lokte nog weinig bezoekers en was ook geen cultureel beschermd landschap. Een rauw, leeg, verlaten, eindeloos, stil lichaam van leven, vergankelijkheid en dood, zoals mijn eigen innerlijk lichaam.
Een buurtschap met een kleine buiten haven voor de vissersboten. Onder aan de binnendijk ligt het sluiswachtershuis met zijn cafe: “Het Zielhoes”. Oorspronkelijk een warm en beschut heenkomen voor de vissers, de dijkwachters en de landwerkers. In de jaren 90 waren deze verdwenen, maar ik ontdekte dat je daar nog steeds een kop koffie kon drinken. In een soort van huiskamer, met bloemetjes behang en houten tafeltjes met zware pluze kleden, een ouderwetse houtkachel, een kassa met zwengel, een kast vol bordspellen, vetplantjes voor de ramen en een glazen vitrine met zakjes drop en snoep voor de kinderen. Aan de muur een Wolters-schoolplaat van het Wad, schilderijen en ingelijste foto’s van de vissersboten van Usquert. Waar de eigenaresse mevrouw van Warners met een schort voor, haar aardappelen schilde. Even zwijgend ophield om voor mij een kop koffie in te schenken, vriendelijke knikte en weer verder ging met haar werkzaamheden. Het was goed om deze stille plek binnen te stappen en enkel de stilte doorbrak met een groet van afscheid. Het werd een dierbaar stilte ritueel waar ik de geborgenheid doorvoelde tijdens mijn wandelingen,
De hoge trap over de dijk is vol van diep bevoren sneeuw. Een expeditie om de dijk over te komen. Bovenop de dijk wordt mijn klim uitbetaald, een eindeloos landschap met een wit serene vlakte. Zo verlaten en stil dat zelfs de sneeuwvlokken zwijgend neer daalden. Een koude tocht, mijn gedachten gaan uit naar de wereld aan de overzijde. Daar waar dat wat mij lief is en zo gemist, daar achter die horizon zijn eigen vorm heeft gevonden.
De ijsschotsen liggen gedaald, gestapeld als voetstenen in het landschap van een bevoren zee. De vlakte kent weinig nuances en de witten verdwijnen in de witte horizon. Het verlangen en het heimwee is groot, nu kan ik lopen voorbij die horizon, in de diepte van de witte ijslaag staat geschreven, eindeloos herhalend in zichzelf : ” ga weg, kom terug”.
Er zwermt een barst
Door de huid van ijs
kermt niet
dat zelfs de zee
er stil van wordt.


